viewmodel.jpg

wie zijn we

VW mag is gecreëerd door
The View Concepts:
de broedplaats voor nieuwe perspectieven op dagelijkse dingen.
Online, offline en live.

de zwemkas

de zwemkas

Ik zit op de rand van het zwembad met mijn handen voor mijn buik. Mijn badpak is nog droog, het plastic inlegkruisje kriebelt tussen mijn tegen elkaar gedrukte bovenbenen. Ik ben vergeten het eruit te halen. Het zit voor de helft dubbelgevouwen, de plakkerige kant kleeft als een pleister aan de steeds zwarter wordende haartjes. 

Erno en ik zijn de enigen in de zwemkas. Hij ligt op zijn rug in het water en staart naar het puntdak boven ons. Door de beslagen glasplaten kun je het wit van de wolken zien. Bij aankomst op de camping vertelde de eigenaar dat hij hier in het begin alleen planten kweekte. Hij had nog niet veel gasten, geen officiële vergunning voor een camping en al helemaal geen "luxevoorzieningen". Om te bewijzen dat wij een van de eersten waren wees hij naar de versplinterde stukken bloembak, de hoopjes aarde en liet hij ons diep door onze neus inhaleren. Het rook naar een mengeling van chloor en potgrond. 

‘Kom je nog zwemmen?’ 

Door een onverwachtse beweging van Erno gutst het water tot over mijn knieën. Ik trek mijn benen op, waardoor het gootje ertussen weer leegloopt en de hygiënestrip in mijn badpak naar links verschuift. Erno zwemt naar de rand en trekt zichzelf op aan de duikplank. 

‘Je hebt de hele week nog niet gezwommen,’ zegt hij. ‘De rest is ook al weg. Kom op, nu kan het nog.’

Ik krul mijn tenen over de rand. Het is niet eens dat ik niet wil zwemmen, het is meer dat ik nu al denk aan de vier uur durende terugreis. Aan het moeten afdrogen, het omkleden, weer opwarmen, en aan hoe mijn natte haren in een staart zullen opdrogen waardoor het chloor gaat jeuken op mijn hoofdhuid. 

Erno loopt naar de rand van de duikplank. Het uiteinde buigt omlaag. 

‘Ik tel tot drie en dan spring ik,’ zegt hij. ‘Meet jij de plons?’

Ik knik. Ik steek mijn benen weer in het water. Het voelt lauw aan en toch krijg ik kippenvel. Mijn armhaar schiet overeind zoals een plant uit de grond in een versnelde natuurdocumentaire. 

Erno begint op en neer te wippen op de punt van de duikplank. Als zijn voeten bijna loskomen telt hij tot drie, zet zich af en maakt van zijn lichaam een sloopkogel. 

De klap klinkt harder dan ik verwacht had, de spetters tikken tegen mijn voorhoofd als kleine koude stroomschokjes. 

Het duurt even voordat Erno weer bovenkomt. Ik heb mijn ogen gericht op de plek waar hij onderging, maar als ik hem weer zie zwemt hij vlak voor me. 

‘En?’ vraagt Erno. ‘Hoe hoog kwam ik?’

Ik denk aan een paar dagen geleden, toen Erno samen met onze campingbuurjongen Wilbert inbrak in de zwemkas om te kijken wie de hoogste bommetjes kon maken. Het gebruik van het zwembad na acht uur is verboden, maar het kettingslot is roestig en de sleutel ligt onder een bloempot, wist Wilbert. Hij en Erno waren er al eerder na achten geweest. Ik vroeg of niemand ze had kunnen zien door het glas, waarop Wilbert antwoordde: ‘We hebben het licht natuurlijk uitgelaten. We zijn geen meisjes.’ 

Tegen mijn ouders loog ik dat ik meeging naar de vrijdagavonddisco. De disco duurde tot twaalf uur, om elf uur moest ik terug bij de caravan zijn. 

‘Hoger,’ zeg ik. 

‘Recordhoog?’ 

‘Dat weet ik niet, maar in elk geval hoger. En het maakte meer geluid. Meer dan bij Wilbert.’

Erno gaat kopje onder en laat wat lucht uit zijn mond ontsnappen. Er vormt zich een cirkel van belletjes, hetzelfde soort dat ik weleens achter de rug van Wilbert heb gezien wanneer hij stil in het water lag, een tijdelijk minibubbelbad.

Terwijl Erno en Wilbert hun kleren uittrokken bleef ik bij de deur van de kas staan. Er liepen constant mensen over het grindpad verderop, op weg naar het toiletgebouw. De stapels campingborden en het campingbestek rammelden in de afwasbakken, om hun schouders hingen de aan elkaar geknoopte touwtjes met bungelende wc-rollen eraan. 

Toen de jongens zich helemaal hadden uitgekleed schoof ik de deuren voorzichtig wat verder dicht. 

’Je zegt het als er iemand komt, hè?’ vroeg Wilbert.

‘Ja-ha,’ antwoordde ik. 

Het haar van Erno ligt plat op zijn voorhoofd. Hij veegt het opzij, wrijft in zijn ogen en zwemt naar de kant. Links van me trekt hij zichzelf uit het water. Zijn wimpers plakken aan elkaar als dikke, zwarte plukjes.

‘Wil je echt niet zwemmen?’ vraagt hij. 

Ik haal mijn schouders op. Ik vouw mijn rechterhandpalm om mijn linkerelleboog en zet zoveel kracht dat mijn huid er wit van wordt.

‘Ook niet heel even? Ik verveel me.’ Erno pakt me bij mijn bovenarm, maar laat direct weer los als ik uit reflex een schokbeweging maak. 

’Het is koud,’ zeg ik.

‘Maar dan moet je toch juist gaan zwemmen? Daar krijg je het warm van!’

Erno laat zich met een zucht voorover in het water vallen. Ik zie hem steeds verder naar de bodem zakken, net zolang tot hij niet meer verder kan. Hij blijft in kleermakerszit boven de grond hangen. Hij zweeft bijna, en tegelijkertijd beweegt hij zijn armen als peddels om in dezelfde houding te kunnen blijven. Ik leg mijn hand over de plek waar hij me heeft beetgepakt. Er is een rode afdruk achtergebleven. 

Wilbert wilde wachten tot hij zeker wist dat het veilig was. Er mocht niemand aankomen, ik mocht niemand rond het toiletgebouw zien lopen en pas als het helemaal stil was konden we beginnen. 

Erno ging als eerste. Hij rekte zich uit, zette zich af, de duikplank boog door en er klonk een hard boink-geluid. 

Ik wil net overeind komen als ik onder water voel hoe twee handen mijn enkels omklemmen. Er wordt niet veel kracht gezet, de handen pakken me alleen vast. 

‘Niet doen,’ zeg ik. ‘Toe even, Erno, ik wil echt niet.’

Ik probeer mijn enkels los te trekken. Als dat niet lukt grijp ik me vast aan de zwembadrand, waar ik met mijn natte handen nauwelijks grip op krijg. Erno komt nog steeds niet boven. Hij blijft met zijn hoofd onder water en ik voel hoe hij zijn handen langzaam verder omhoog laat glijden. Hij duwt zijn vingers in mijn knieholtes, drukt zo hard dat er een rilling door me heengaat. Het kietelt en doet pijn op hetzelfde moment. Hij geeft kleine, herhaaldelijke kneepjes. 

‘Erno, hou op,’ zeg ik. 

Pas bij de uitslag van de vierde bommetjesronde begon Wilbert vreemd te doen. Ik was elke keer tot de conclusie gekomen dat Erno hoger kwam, dat hij meer spetters maakte en dat zijn golven het verst over de tegels stroomden. 

Wilbert sloeg een handdoek om zijn middel en kwam op me af lopen. Omdat het donker was in de kas kon ik hem niet goed zien, maar ik zag wel dat hij boos keek. Zijn ogen glinsterden op dezelfde manier als het zwembadwater. De druppels dropen uit zijn krullen en spatten uiteen op zijn schouders. 

‘Jij bent niet eerlijk,’ zei hij. ‘Dat je zelf niet mee wilt doen, en dat je het water niet in durft omdat je te schijterig bent, dat wil nog niet zeggen dat je het voor iedereen mag verpesten, oké?’

Ik zei niets. 

‘Meisjes mogen niet liegen.’

Wilbert spuugde bij elk woord een beetje speeksel in mijn gezicht. Hij deed een stap naar voren, spuugde nog een keer en gaf me een duw tegen mijn schouder. 

Erno klom uit het water en kwam naar ons toe lopen. 

‘Wat is er?’ vroeg hij. 

‘Je zusje kan niet kijken,’ zei Wilbert. ‘Snap je nu waarom we haar niet mee hadden moeten nemen? Ze is gewoon een peuter die het liefst alleen met poppen speelt. Vlechtjes maken, kleertjes verwisselen.’ 

Ik dacht aan hoe ik gisterochtend in de tent op het luchtbed had gelegen. Ik had net alle haren gekamd en begon zachtjes te praten, toen ik vanuit de bosjes ingehouden gegiechel hoorde. 

Wilbert deed nog een stap naar voren. 

‘Zonder haar popjes heeft ze niets,’ zei hij. ‘Dan kan ze nergens meer mee spelen.’

Ik begin onrustig te bewegen in de hoop dat Erno loslaat. Hij komt heel even boven, maar hapt alleen naar adem en duikt dan direct weer onder water. Dit keer trekt hij wel. Aan mijn knieën, aan mijn bovenbenen, zijn handen steeds verder omhoogduwend richting mijn schoot. Als hij bijna wegglijdt begint hij in het wilde weg te graaien. Ik voel een nagel zich vlak langs de onderrand van mijn badpak mijn huid in boren. Zijn vinger raakt iets dat zacht en warm is, waarna hij meteen weer wegtrekt. Bij de volgende uithaal krijg ik een stoot die doordringt tot vlak achter mijn navel.

‘Stop!’ gil ik. ‘Hou op!’ 

Ik zet zo hard af als ik kan, waardoor mijn benen, samen met de laatste plakkerige delen van de hygiënestrip, in één keer loskomen. De badstof schiet als een elastiekje terug tegen mijn huid. Ik verlies mijn evenwicht, glijd van de kant en val in het zwembad. Het water prikt in mijn keel en in mijn ogen en ik verslik me zo vaak dat ik een paar seconden lang geen lucht krijg.

‘Kom,’ zei Erno. Hij ging tussen mij en Wilbert in staan en drong Wilbert met zijn arm een stuk naar achteren. ‘Als er zo kinderachtig gedaan moet worden, gaan we wel terug naar de caravan. Laat die bommetjes dan maar.’

Ik zag nog steeds weinig in het donker. Wilbert keek verbaasd naar Erno. Het leek net of hij nog iets wilde zeggen, maar hoewel hij zijn mond al open had kwam er niets uit.

Vlak voordat Erno en ik de kas uitstapten draaide Erno zich nog om. Hij zei niets, bleef alleen maar even staan met zijn gezicht naar dat van Wilbert toe. Ik hoorde hem hard door zijn neus in- en uitademen. 

‘Zullen we?’ vroeg ik, zo zacht dat ik het zelf ook nauwelijks kon horen. 

‘Ja,’ antwoordde hij. 

Als ik weer op de kant zit stroomt er water over mijn lippen. Ik kokhals, maar elke keer komt er alleen uit wat ik in het zwembad heb ingeslikt. Erno wacht op een afstandje tot ik weer rustig ben. Hij zit achter me, zijn armen om zichzelf heengeslagen. 

Zodra ik weer kan ademen kom ik overeind. Ik heb overal kippenvel.

‘Nu ben je in elk geval nat,’ zegt Erno. ‘Dat is al één.’

Ik wankel even, hoest met mijn hand voor mijn mond. Ik kijk om me heen of ik mijn handdoek zie, maar bedenk me dan dat ik die niet heb meegenomen toen we naar de kas gingen. Ik heb hem ingepakt, mijn tas staat al sinds vanochtend in de auto. 

Ik wilde helemaal niet zwemmen.

‘Wat ga je doen?’

Ik loop verder richting de deur zonder me om te draaien. 

‘Ah, kom op nou, niet weggaan. Zo erg was het nu toch ook weer niet?’

Ik loop de kas uit, de kou in, het grasveld op met alleen een badpak aan. Ik voel de grassprieten aan mijn voeten plakken en de steentjes steken als ik bij het grindpad kom. Er blijven er een paar van tussen mijn tenen zitten.

De voortent van de caravan hangt slap over zijn stokken. Ik hoor mijn ouders kibbelen, al kan ik niet verstaan waarover. Ik loop door naar de auto en zie mezelf in de achterruit. Pas dan besef ik dat ik mijn hand tussen mijn benen heb, als een kind dat haar plas ophoudt.

 

Beeld: Adam Birkan

geel van de tuinslang en blauw van de lucht

geel van de tuinslang en blauw van de lucht

vluchtig verbonden

vluchtig verbonden